Historische achtergrond

Op 4 augustus 1914 stak het Duitse leger de Belgische grens over en viel zo het neutrale land binnen. Via Gemmenich en Visé rukte het leger op naar Luik, dat als eerste Belgische vesting werd aangevallen. Tienduizenden vluchtelingen uit het zuiden en oosten van het land trokken naar het noorden en het westen en vertelden over de ravage die het Duitse leger in hun brandende dorpen en steden had aangericht. Elke vertraging in de opmars van het Duitse leger werd op de burgers gewroken. Het Belgische leger bleek niet opgewassen tegen het keizerlijk leger maar het geboden weerwerk zorgde er wel voor dat Frankrijk tijd kreeg om massaal te mobiliseren en voldoende troepen naar de Marne te sturen om de oprukkende Duitsers tegen te houden.

Vlucht naar Antwerpen

Op 7 augustus viel Luik in Duitse handen. Steden waren basis en doelwit. Vanaf dan ging het snel: 2,5 maand later was België een bezet land, op de frontstreek aan de Ijzer na. Op 20 augustus namen de Duitsers Brussel in; op 25 augustus vielen ze Leuven binnen. De stad brandde 3 dagen lang, het stadscentrum werd verwoest; de universiteitsbibliotheek werd in brand gestoken. Die daad werd wereldwijd gezien als een symbool van de Duitse agressie. Leuven was een spookstad. Dezelfde dag openden Duitse kanonnen onverwacht het vuur op de Mechelse Sint Romboutskathedraal. De Duitsers waren nu vlakbij Mechelen, waar een massale exodus op gang kwam: bijna de gehele bevolking was gevlucht. Koning Albert I, tevens opperbevelhebber van het leger, gelastte zijn vermoeide troepen zich terug te trekken naar Antwerpen, de nieuwe thuishaven van het Belgische leger. De stad werd, omwille van zijn dubbele fortengordel onneembaar geacht.

Antwerpen als tijdelijke hoofdstad

Antwerpen had vanaf 17 augustus 1914 al een onverwacht aanzien gekregen door de aanwezigheid van het Hof -en in het bijzonder de koning als hoofd van het leger- in het Koninklijk Paleis aan de Meir (enige keer in de geschiedenis van ons land). Ook de regering, de volksvertegenwoordigers en tal van buitenlandse diplomaten kwamen over uit Brussel en er werden maatregelen getroffen om het operagebouw als parlement in te richten en het Koninklijk Atheneum als senaat. De personaliteiten dineerden in de restaurants op de Keyserlei, wat velen choqueerde, met name de strenge Charles Woeste. Dat ook Antwerpen zelf een potentieel doelwit was, mochten de bewoners ervaren in de nacht van 24 op 25 augustus toen een Duitse zeppelin verschillende doelwitten in Antwerpen bestookte. Bommen troffen de Stadswaag, de Lozannastraat en de Justitiestraat. Er vielen 10 doden en 40 zwaargewonden; vele huizen stonden in lichterlaaie. Het ging om het tweede stedelijke luchtbombardement uit de geschiedenis (na Luik).

Wanneer de Duitse eenheden gelegerd rond Antwerpen op 7 september het bevel kregen om zich naar de Marne te begeven, bleef het twee weken lang relatief rustig rond de vesting Antwerpen. Het Belgische leger werd gereorganiseerd en er werden werken uitgevoerd om de verdediging van de stad te versterken. Maar de vijand was wel degelijk zinnens om de Belgische verzetshaard in Antwerpen te breken en verdubbelde zijn effectieven voor de Scheldestad. De Engelsen konden Antwerpen niet bevoorraden, omdat Nederland zich beriep op zijn neutraliteit en de Westerschelde voor oorlogsschepen had afgesloten. Daardoor viel de haven van Antwerpen (de grootste van Europa) vrijwel stil, wat de toevoer van levensmiddelen fel verminderde. Op 25 september verliet het opperbevel Lier voor Antwerpen.

Churchill komt naar Antwerpen

Op zondag 27 september barstte het Duitse offensief tegen Antwerpen los met een artilleriebeschieting op Mechelen. Al snel werd duidelijk dat de forten niet bestand bleken tegen de zware Duitse bombardementen en dat de vesting Antwerpen zou moeten worden opgegeven. De bevolking begon te twijfelen aan het nut van verdere Belgische verliezen. Op 2 oktober bereikte het nieuws over de mogelijke opgave van Antwerpen Londen, waar de regering besloot meteen First Lord of the Admiralty Winston Churchill naar de havenstad te sturen met de opdracht de Belgen aan te sporen stand te houden. Churchill, toen 40 jaar, kwam op 3 oktober onder luid gejuich van de bevolking in Antwerpen aan met een brigade van de Engelse Royal Navy Division en de toezegging dat er nog meer versterking op komst was. Alles hing nu af van een wedloop tussen de Duitse opmars en het op gang komen van de aangekondigde hulp. Op 3 oktober gingen de Duitsers in de aanval. De eerste oversteek door Duitse troepen gebeurde te Lier op 5 oktober.

Vlotbrug als vluchtroute

Op 6 oktober werd het lot van Antwerpen bezegeld: de buitenste fortengordel was doorbroken, de Nete over een breed front overschreden. De opperste krijgsraad met aan het hoofd Koning Albert I trok hieruit zijn conclusies. In aanwezigheid van Churchill werd besloten dat het veldleger zich de volgende nacht tot achter de Schelde zou terugtrekken. Per trein werd de bevoorradingsbasis naar Oostende verhuisd. Op 7 oktober verliet koning Albert om 13u30 per auto het Paleis op de Meir richting Sint-Niklaas. De burgerlijke overheid besefte eveneens dat de positie van Antwerpen onhoudbaar was geworden..

Thuyne, 1914, De Duitsers komen.

Ze richtte een raadgevende commissie op die de belangen van de bevolking moest behartigen Voorzitter werd staatsman Louis Franck. Het veldleger ontsnapte uit Antwerpen via de door de genie aangelegde vlotbrug over de Schelde. De bouw van de brug van het Steen tot de linkeroever startte op 2 augustus 1914 (een tweede vlotbrug lag ter hoogte van Hoboken naar Burcht). Beslist werd dat de aanwezige Engelse troepen zich bij het veldleger zouden voegen. Toen duidelijk werd dat de Engelse troepen waren vertrokken, konden ook veel –maar niet alle- manschappen uit de forten (die de achterhoede hadden gevormd voor het vertrek van het leger) de stroom oversteken via de vlotbruggen of met boten. De vlotbrug Burcht werd op 9 oktober om 5u opgeblazen, die van het Steen om 8u30.

De val van Antwerpen

Het Antwerpse stadsbestuur stond er alleen voor, in de stad was op meer dan 20 plaatsen brand uitgebroken en honderdduizenden inwoners en vluchtelingen vluchtten naar elders onder het aanhoudende bombardement. De olietanks in Hoboken stonden in lichterlaaie. In de stad brandden de huizen. Een delegatie van het stadsbestuur met o.m. Louis Franck en burgemeester De Vos besloot op 9 oktober naar de Duitse legerleiding in Kontich te gaan. Om 17u40 werd het Verdrag van Kontich ondertekend en dezelfde avond nog trokken Duitse troepen een verlaten stad binnen. Antwerpen was gevallen. De ‘onneembare’ vesting had slechts 13 dagen stand gehouden. Op 15 oktober was de Ijzerlinie en de streek rond Ieper de laatste verdedigingslijn in België.